Forenzen


De dag begon warm vandaag. Toen ik vanmorgen in de trein stapte, deed dat me onwillekeurig denken aan de zomer van 2006. Vijf jaar jonger en voor het eerst een pak aan dat niet ter gelegenheid van een bruiloft was aangetrokken. Ik ging op weg naar Den Haag voor een sollicitatiegesprek om een stageplek bij een vooraanstaand advocatenkantoor in de wacht te slepen. De spanning voor dat gesprek deed me zweten, maar dat was niet het enige: het was warm. Nee, eigenlijk was het heet. De temperatuur rees ruim boven de dertig graden. Achteraf leerde ik dat die juli in 2006 de warmste maand in zeker 300 jaar was geweest. Dat wist ik op dat moment nog niet, maar de hitte ging niet onopgemerkt voorbij. Mijn jasje durfde ik al niet meer uit te doen, mijn haar leek vers gedoucht en ik moest de neiging bedwingen om mijn voorhoofd af te vegen met mijn stropdas. Het hielp ook niet dat ik, in Den Haag aangekomen, een tram moest delen met schaargeklede Scheveningengangers die me aankeken alsof ik van Mars kwam. Gelukkig mocht ik stage komen lopen.

Die stage bracht mij voor het eerst in gevecht met het tijdelijke station. In november van dat jaar moest ik namelijk beginnen en toen was het oude station al naar de vlakte gegaan. Daar ging ik elke dag: trap op, trap af, vooral bij haast en spoorwisselingen een uiterste test voor het humeur. In dat kader diende zich overigens een nieuwe vorm van leedvermaak aan: aanschouwen hoe ‘nieuwkomers’ de hel die het tijdelijk station soms is, doormaakten. De trein naar Den Haag ging toen nog wel rechtstreeks, het was dus niet alleen maar kommer en kwel. Toch was ik blij dat het forensgedeelte van de stage er op een gegeven moment op zat.

Ondertussen ben ik, na lange tijd lekker dichtbij in Arnhem te hebben gewerkt, sinds een jaar weer werkzaam in Den Haag. Aan de trappen van het station –nog steeds ondingen– ben ik bijna gewend. Zelfs het tijdelijk volledig afsnijden van het treinverkeer tussen Arnhem en Ede-Wageningen, een volkomen idioot idee, heb ik overleefd. En nu is het bijna zover: het tijdelijk station verdwijnt op 1 juli. Eindelijk geen trappen weer, maar een tunnel die ons naar het perron leidt. Tijdelijk station, ik ga je niet missen. Maar zo nu en dan zal ik nog eens aan je terugdenken: je trappen heb ik overleefd, het forenzen gaat door.

Verscheen eerder op Arnhem Direct.

Advertenties

Het zijn de kleine dingen die het doen in een stad

 (Gepubliceerd in: Dagblad De Gelderlander, zaterdag 16 april 2011)

Foto: Bas Boerman

Doet-ie ’t of doet-ie ’t niet? Die overpeinzing bekroop me afgelopen winter bij de toestand van de roltrap bij station Arnhem. Die was vaker defect dan niet. Een grote ergernis voor veel reizigers, vooral voor wie slecht ter been was en zijn geluk moest beproeven op een besneeuwde trap. Veel verder dan klagen om een reparatie af te dwingen – de verantwoordelijkheid lag bij ProRail – kwam het Arnhemse college van burgemeester en wethouders niet. Daar was misschien meer daadkracht te verwachten. Bovendien was dit niet het enige teken van gebrek aan daadkracht het afgelopen jaar. Een doek over de steigers van de Eusebiuskerk liet lang op zich wachten, kwam pas in etappes en waaide los omdat het niet stevig genoeg vast zat. Verder is er leegstand op de Korenmarkt en wordt hevig gemopperd over gebrekkige voorzieningen in Schuytgraaf.

Maar eerlijk is eerlijk: mopperen zit ons Arnhemmers in het bloed. We klagen graag, ondanks onze warme gevoelens voor de stad. Het college heeft ook andere dingen aan het hoofd, zou je kunnen beargumenteren. Grote projecten bijvoorbeeld, zoals Arnhem Centraal en Rijnboog. In het Arnhems Lenteakkoord, de visie van dit college voor 2010-2014, kreeg ‘Grote Projecten’ een eigen paragraaf. Het college geeft toe: die projecten zijn zo groot dat de gemeente er ‘nauwelijks vat op’ heeft. Het akkoord zegt ook: ‘Ieder heeft recht op een woonomgeving waar hij of zij zich prettig voelt. Het moet schoon, heel en veilig zijn.’ Het college wil dat vooral samen met de bewoners doen. ‘Lippenstift voor de stad’ is daar een voorbeeld van. Petra Ligtenberg, één van de initiatiefnemers, noemde in deze krant Arnhem in potentie een creatieve en innovatieve stad, „maar als je er doorheen loopt, zie je dat niet”. Lippenstift voor de stad hekelt de braakliggende locaties en looft prijzen uit voor goede suggesties om ze op te vrolijken.

Zijn zulke initiatieven dan genoeg om Arnhemmers die beloofde veilige en prettige woonomgeving te bezorgen? Mijn stelling is dat het college op dat vlak wat beter zijn best mag doen. In 1982 formuleerden de Amerikaanse criminologen James Wilson en George Kelling de Broken Windows Theory. Deze kapotteruitentheorie houdt in dat mensen fysieke blijken van wanorde in een buurt, zoals gebroken ruiten, graffiti op muren en afval op straat, als een teken zien dat niemand de leiding heeft en dat alles kan. Een theorie die vooral een verklaring biedt voor de manier waarop criminaliteit zich verspreidt, maar ook één die iets zegt over vertrouwen in bestuurders.

De gemeente is er voor de burger. Voor ons. En natuurlijk leveren grote projecten onze stad veel op, meetbaar of niet. Maar Arnhemmers blijven niet eindeloos trots op hun stad vanwege prestigeprojecten. Ze willen ook trots zijn op hun buurt en op de uitstraling van de stad als je er door heen wandelt. De ‘kleine dingen’ voor het college, zoals een kapotte roltrap of een steigerdoek op de Eusebius, kunnen grote betekenis hebben voor de burger. Als de kleine dingen, de ‘gebroken ruiten’, goed worden aangepakt, heeft Arnhem vertrouwen in zijn college. ‘Wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd.’ Een tekst voor op een tegeltje, misschien, maar laat het college dat ter harte nemen.

Mark Lauriks is geboren en getogen Arnhemmer en draagt zijn stad een warm hart toe.