De informatietrein

Met duizelingwekkende snelheid raas je over het spoor door het landschap. De motor van de locomotief draait op volle toeren. Waar je heen gaat en welke stations er nog komen, weet je niet. Dit is niet een omschrijving van het begin van een spannende actiefilm, maar een metafoor voor de voortdenderende informatieverzamelende trein waar wij ons als samenleving in bevinden.

Eigenlijk is er sprake van één groot spoornet vol met informatievergarende treinen waaronder de overheid en bedrijven als Facebook. Als zo’n trein te hard voortraast, bestaat de kans dat hij ontspoort, of dat de remmen niet meer werken. Aan hard en ongecontroleerd vooruitrijden kleven dus belangrijke gevaren.

Een belangrijke trein, onze overheid, onderneemt een grote hoeveelheid informatievergarende activiteiten die in onze persoonlijke levenssfeer treden. Zo ontwikkelde de overheid het Elektronisch Patiëntendossier (EPD), een systeem waarmee artsen onderling en met apothekers kunnen communiceren en met één druk op de knop informatie kunnen delen. Ook heeft de overheid gekozen voor de invoering van het biometrisch paspoort, waarbij vingerafdrukken in het paspoort en in een databank worden opgeslagen.

In beide gevallen is er een behoefte er wordt er vervolgens een systeem uit de grond gestampt. Vooral de efficiëntie van de toepassing staat voorop, maar de veiligheidsaspecten worden niet altijd even zwaar meegewogen. Mede hierdoor is het EPD voorlopig in de Eerste Kamer gesneuveld en is de opslag van vingerafdrukken (tijdelijk) een halt toegeroepen.

Dit zijn twee voorbeelden van grote, kostbare overheidsprojecten waarbij de beveiligings- en privacyrisico’s pas in een (te) laat stadium aan de orde kwamen. En niet alleen de risico’s rondom de beveiliging baren zorgen. Nu is het doel van het EPD en het biometrisch paspoort misschien nog duidelijk, maar er zijn onvoldoende waarborgen dat deze systemen in de toekomst niet voor een ander doel worden gebruikt. Is het bijvoorbeeld niet heel praktisch om via opgeslagen vingerafdrukken daders van misdrijven op te sporen? 

Het is niet voor niets dat de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid onlangs de ontnuchterende vraag stelde: “Waar zijn we als overheid nou eigenlijk helemaal mee bezig?” Het adviesorgaan stelt dat de huidige informatie-overheid in feite geen begrenzing meer kent. Deze ‘iOverheid’ is onder de politieke radar ontstaan en zal onbekommerd verder groeien wanneer ze daar blijft.

Maar ook bij private ‘treinen’ ligt gevaar op de loer. De bestaande privacywetgeving, zoals de Wet bescherming persoonsgegevens, laat het verzamelen en gebruik van privacygegevens toe zodra er sprake is van ‘toestemming’. Maar is het nog voldoende duidelijk wanneer we toestemming  geven en waarvoor? Microsoft Hotmail leest onze mails mee en slaat ze op, Google weet beter dan wijzelf wat we over een jaar op internet zullen bestellen en allerhande apps kijken in onze mobiele telefoon mee. Allemaal met onze toestemming, omdat we keurig de ‘OK-knop’ aanklikken als we ellenlange disclaimers voorbij zien komen. Niet alleen omdat we geen zin hebben om alle kleine lettertjes te lezen, maar ook omdat we, als we niet akkoord gaan, geen gebruik mogen maken van al die handige gratis applicaties.

Dat verlangt niet alleen om bezinning van de overheid op privacyvraagstukken, maar ook van ons als burgers. Verwachten wij dat grote, vertrouwde bedrijven het goed met ons voorhebben en dat de overheid ingrijpt als onze privacy te ver wordt aangetast? Of nemen wij zelf verantwoordelijkheid door kritische consumenten te worden die niet langer kiezen voor gemak en kosteloosheid, maar voor de zekerheid dat onze persoonsgegevens veilig zijn?

Los van het nut dat de diverse projecten, systemen en beleidsplannen hebben, los van hoe hard ze soms nodig zijn en los van alle goede bedoelingen: het doel heiligt niet altijd alle middelen. Zeker niet als daar zoveel risico’s aan verbonden zijn. Laten we het goed doen. Laten we een elementair debat voeren over de vraag wat wij belangrijker vinden: gemak of privacy, privacy of veiligheid.

Laten we nu aan de noodrem te trekken om eens goed te bekijken of de remmen wel in orde zijn en of er niet teveel passagiers aan boord zijn. Dat is beter dan om voort te razen op een spoor waarvan niemand weet waar het heen gaat en of de trein ooit nog gestopt kan worden.

Nienke Ross en Mark Lauriks
(verscheen eerder in ‘DEMO’, ledenmagazine van de Jonge Democraten)

Advertenties

Vuile huichelaar

Er zijn een hoop goede redenen om een blog te schrijven. Je wil een statement maken over iets wat je na aan het hart gaat, of de lezer vermaken met een smakelijke anekdote. Blogs vol met goede bedoelingen. Maar soms wordt een leuk idee of briljante ingeving verdrongen door iets veel platters: ergernis. Grote ergernis.

En ik. Heb een bloedhekel. Aan Albert Verlinde. Met z’n roddels. En z’n lintje.

Een lintje is een koninklijke onderscheiding: een symbolische erkenning voor persoonlijke, bijzondere verdiensten voor de samenleving. Je moet dan denken aan mannen met snorren die al 40 jaar vrijwilliger zijn bij de plaatselijke harmonie, hardwerkende vrijwilligers, maar soms ook aan ‘Bekende Nederlanders’. In 2010 behaagde het de Koningin om Albert Verlinde een lintje te laten opspelden. Voor zijn persoonlijke, bijzondere (ahum) verdiensten (kuch) voor de samenleving (proest).

“Nu gun ik Verlinde dat lintje best,” zou een prima, sociaal wenselijk antwoord zijn. Maar je hebt zoiets als huis-tuin-en-keuken hypocrisie, dan komt Pontius Pilatus en daarna heb je Albert Verlinde.

In 2009 kreeg Verlinde het eerste ‘Gouden Oor’ uitgereikt van Sophie Hilbrand en Filemon Wesselink, namens BNN, omdat Verlinde “zijn oor altijd zo goed te luister legde.” Later bleek de prijs, met grote trots door Verlinde in ontvangst genomen, niet alleen mooi op de schoorsteenmantel te staan, maar nam hij ook geluidsfragmenten op. Verlinde en echtgenoot werden afgeluisterd. Toen dit bekend werd, reageerde Verlinde woedend. En emotioneel. In een radio-interview op Radio 538 zei hij: “Hoe kunnen Sophie en Filemon dit ook doen? Ik snap dit echt niet.” Verlinde bekende er wakker van te liggen. Erger nog. Verlinde tegen Giel Beelen: “Sorry, ik voel me echt een slachtoffer. Ik voel me aangerand. Volgens de Grondwet mag dit niet!”

Tja, de Grondwet. Wat Verlinde even vergat, is dat hij zich beriep op het (grondwettelijk) recht op privacy – een groot goed. Maar waar was Verlinde, hoeder van onze grondrechten, toen het televisieprogramma RTL Boulevard de onrechtmatig verkregen beveiligingscamerabeelden van een zoenend stel (“WesYo”) in een parkeergarage uitzond? Of toen dat programma de heimelijk opgenomen vreemdgang van Georgina Verbaan op de beeldbuis bracht? En toen de presentator van dat programma de pas gescheiden Mariska Hulscher een “hoer” noemde, waar was Albert Verlinde -voorvechter van onze fundamentele mensenrechten en hoeder van alle fatsoen- toen?

U weet best waar Verlinde toen was.

Na aangifte van Verlinde tegen Hilbrand en Wesselink bood het Openbaar Ministerie (OM) de twee een transactie aan om strafvervolging te voorkomen. BNN werd niet vervolgd. Voor Verlinde was dit niet genoeg. Hij maakte gebruik van de “artikel 12-procedure”, die het mogelijk maakt om bij het Gerechtshof te klagen over het niet-vervolgen door het OM. Dezelfde procedure als in de zaak tegen Wilders, of recenter, in de zaak van het homostel dat uit hun huis in Utrecht werd gejaagd en het OM zag beslissen om niet te vervolgen. Een mogelijkheid dus, om in zwaarwegende gevallen tóch vervolging af te dwingen. Daar maakte Verlinde gebruik van en, zo werd dit weekend bekend, kreeg zijn zin. Z’n goed recht ook, je moet voor je rechten opkomen als je het gevoel hebt dat je belangen onvoldoende door de overheid worden beschermd. Maar de dubbele maat van Verlinde siert hem niet.

Voordat de majesteit dit jaar begint aan haar ‘lintjesoverpeinzingen’,  zou ik haar graag de een suggestie willen doen: geef Aad Klaris (1939) een lintje. Deze Nederlandse muzikant schreef niet alleen een groot gedeelte van de muziek voor mijn favoriete jeugdserie Bassie en Adriaan, maar was ook verantwoordelijk voor menig Top-40 hit van de jaren ’70 tot eind jaren ’80. Bovendien is Klaris een Moerdijker. Die mensen hebben het verdiend. En zijn allergrootste hit, geschreven voor Renée de Haan, kent iedereen. Zingt u maar mee, speciaal voor Albert: “Vuuuui-le huichelaar…”

Naschrift: misschien is Albert Verlinde wel een hele aardige man.